noest

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • noest
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘arbeidzaam’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1653 [1]
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen noest noester (noestst) *
verbogen noeste noestere (noestste) *
partitief noests noesters -

Bijvoeglijk naamwoord

noest

  1. onvermoeibaar ijverig, met name fysiek
    • Een mens komt tot diepere inzichten door iets te gaan doen dat hij zelden doet. In mijn geval was dat: noeste handarbeid.[2] 
Opmerkingen
  • Omdat "-stst" moeilijk is uit te spreken en te verstaan kan voor de overtreffende trap beter de omschrijving "meest noest(e)" worden gebruikt.[3][4]

Bijwoord

noest

  1. op noeste wijze
    • Er werd noest doorgewerkt. 

Gangbaarheid

80 % van de Nederlanders;
71 % van de Vlamingen.[5]

Meer informatie

Verwijzingen