nipt

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • nipt
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘op het kantje’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1945 [1]
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen nipt nipter niptst
verbogen nipte niptere niptste
partitief nipts nipters -

Bijvoeglijk naamwoord

nipt

  1. maar net voldoende, maar net op tijd
    • Zij behaalden deze keer een nipte zege, maar de zorgen voor het verdere verloop bleven. 

Werkwoord

vervoeging van
nippen

nipt

  1. tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van nippen
    • Jij nipt. 
  2. derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van nippen
    • Hij nipt. 
  3. (verouderd) gebiedende wijs meervoud van nippen
    • Nipt! 

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen