nameloos

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • na·me·loos
Woordherkomst en -opbouw
  • afgeleid van naam met het achtervoegsel -loos met het invoegsel -e-
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen nameloos namelozer nameloost
verbogen nameloze namelozere namelooste
partitief nameloos namelozers -

Bijvoeglijk naamwoord

nameloos

  1. waar geen naam voor is
    • In de vluchtelingenkampen is een nameloze ellende te zien. 
Synoniemen

Gangbaarheid

65 % van de Nederlanders;
57 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be