mijmeren

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • mij·me·ren
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
mijmeren
mijmerde
gemijmerd
zwak -d volledig

Werkwoord

mijmeren

  1. inergatief in gedachten verzonken zijn
    • Zij hadden wat gemijmerd in het schemerlicht en waren vervolgens ingeslapen. 
Vertalingen

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders
97 % van de Vlamingen.