mijmeren
Uiterlijk
- mij·me·ren
- In de betekenis van ‘peinzen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1481 [1]
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| mijmeren |
mijmerde |
gemijmerd |
| zwak -d | volledig | |
mijmeren
- inergatief in gedachten verzonken zijn
- Zij hadden wat gemijmerd in het schemerlicht en waren vervolgens ingeslapen.
- Het woord mijmeren staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "mijmeren" herkend door:
| 95 % | van de Nederlanders; |
| 95 % | van de Vlamingen.[2] |
- ↑ "mijmeren" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
- ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be
Categorieën:
- Woorden in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands van lengte 8
- Woorden in het Nederlands met audioweergave
- Zwak werkwoord (-d) in het Nederlands
- Werkwoord in het Nederlands
- Niet-samengesteld werkwoord in het Nederlands
- Inergatief werkwoord in het Nederlands
- Woordenlijst Nederlandse Taal
- Prevalentie Nederland 95 %
- Prevalentie Vlaanderen 95 %