matrak

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ma·trak
enkelvoud meervoud
naamwoord matrak matrakken
verkleinwoord matrakje matrakjes

Zelfstandig naamwoord

matrak v/m

  1. wapenstok, gummiknuppel
    • De politie en de ME gebruiken vaak matrakken. 

Gangbaarheid

10 % van de Nederlanders;
90 % van de Vlamingen.[1]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be