marken

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • mar·ken

Zelfstandig naamwoord

marken mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord mark


Zweeds

Uitspraak
Naar frequentie 1203

Zelfstandig naamwoord

marken

  1. nominatief bepaald gemeenschappelijk geslacht enkelvoud van mark