markant

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • mar·kant
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘opvallend’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1847 [1]
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen markant markanter markantst
verbogen markante markantere markantste
partitief markants markanters -

Bijvoeglijk naamwoord

markant

  1. opvallend, frappant, opmerkelijk
    • De Eiffeltoren is een van de markantste gebouwen van Parijs. 
    • De Erasmusbrug is een van de markantste gebouwen van Rotterdam. 

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders
97 % van de Vlamingen.

Verwijzingen