maor

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Achterhoeks

Voegwoord

maor

  1. maar; tegenwerping, introduceert een zin(sdeel) dat het voorgaande zin(sdeel) tegenspreekt of er mee contrasteert

Bijwoord

maor

  1. maar; slechts


Nedersaksisch

Voegwoord

maor

  1. maar; tegenwerping, introduceert een zin(sdeel) dat het voorgaande zin(sdeel) tegenspreekt of er mee contrasteert
    «t Is neet warm, maor kold.»
    't Is niet warm, maar koud.
Schrijfwijzen

Bijwoord

maor

  1. maar; slechts
    «Ik hebbe maor vief euro bi'j mi'j.»
    Ik heb maar vijf euro bij me.
Schrijfwijzen


Twents

Voegwoord

maor

  1. maar; tegenwerping, introduceert een zin(sdeel) dat het voorgaande zin(sdeel) tegenspreekt of er mee contrasteert

Bijwoord

maor

  1. maar; slechts
Schrijfwijzen