malloot

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Jump to search

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • mal·loot
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘iemand die mal is’ voor het eerst aangetroffen in 1501 [1]
  • [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord malloot malloten
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

malloot v / m

  1. iemand die zich dwaas aanstelt

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
94 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen