lesjaar

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • les·jaar
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord lesjaar lesjaren
verkleinwoord lesjaartje lesjaartjes

Zelfstandig naamwoord

lesjaar o

  1. een tijdsperiode van een jaar dat men naar school gaat of les krijgt
    • De Muziekschool krijgt voor het jaar 2012 alsnog een subsidie van 100.000 euro. In eerste instantie wilde het college bijna 2 ton besparen op het instituut, waardoor het einde voor de muziekschool nabij was. Nu is besloten om in 2012 wel subsidie te verstrekken, zodat de muziekschool het lesjaar kan afmaken. In 2013 wordt de subsidie wel helemaal stopgezet. [1] 
    • De ISK (Internationale Schakelklassen) groeit uit zijn jasje. Door de vluchtelingenstroom vanuit Syrië zag de internationale school dit lesjaar het aantal leerlingen al verdubbelen. En het leerlingenaantal groeit nog steeds. Dat betekent dat de school op zoek moet naar extra huisvesting. [2] 
    • De nieuwe leerlingen krijgen in het komende lesjaar nog les in de muziekschool. In de loop van het jaar verhuist de muziekschool naar de nieuwe locatie aan de Industriestraat. “Samen met HEIM en Crea werken we aan de plannen”, aldus waarnemend directeur Glenn ter Veer. [3] 
Synoniemen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
93 % van de Vlamingen.

Verwijzingen