latinist

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • la·ti·nist
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord latinist latinisten
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

latinist m

  1. iemand die Latijn op school heeft gehad
    • Precies om die reden is elke poging van managers om - gedwongen door de wetten van de marktwerking - efficiencyslagen te maken, tot mislukken gedoemd in welke zorgomgeving dan ook. Hun geldtaal klinkt als Marsiaans in de oren van gevoelswerkers en Latinisten. [1] 
    • Hoe theatraal ook, Baudet speelt geen rol. What you see is what you get: de erudiet, latinist en dandy in de politiek, met Schubert op de achtergrond. Al die sierlijk geformuleerde uitlatingen, zoals over de 'homeopathische verdunning' die via immigratie de Europese cultuur bedreigt, lijken welgemeend, al worden ze later vaak even sierlijk door hem gebagatelliseerd. [2] 
  2. leerling die onderwijs in Latijn ontvangt
    • Minstens zo interessant, zo mogelijk zelfs interessanter, is de motivatietest. Dat benadrukt Marijke Buyle, opleidingscoördinator Secundair Onderwijs op Howest. Volgens de rapportage scoren bso-leerlingen onder het gemiddelde. ‘En zij hebben inderdaad een langere weg af te leggen. Maar iemand met een bso-diploma die echt heel graag leraar wil worden, maakt een grotere kans om het te halen dan een latinist met een motivatieniveau dat ver onder nul zit.’ [3] 


Gangbaarheid

81 % van de Nederlanders;
91 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. De Telegraaf 17 apr. 2013 Zorg terminaal ziek
  2. Het Parool JOHN JANSEN VAN GALEN 4 JANUARI 2018 'Tijd dat Baudet met argumenten wordt bestreden'
  3. De Standaard 07/10/2018 door Stijn Cools ‘Beter een ambitieuze bso’er dan een ongemotiveerde latinist’