lasso

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • las·so
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Engels of Spaans, in de betekenis van ‘werpkoord met strik’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1836 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord lasso lasso's
verkleinwoord lassootje lassootjes

Zelfstandig naamwoord

lasso m

  1. een touw met verschuifbare lus om door er mee te gooien koeien en paarden ermee te vangen.
Synoniemen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen