kwakkelig

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • kwak·ke·lig
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen kwakkelig kwakkeliger kwakkeligst
verbogen kwakkelige kwakkeligere kwakkeligste
partitief kwakkeligs kwakkeligers -

Bijvoeglijk naamwoord

kwakkelig [1]

  1. met zijn gezondheid sukkelend
  2. steeds licht vriezend en weer dooiend
Afgeleide begrippen

Gangbaarheid

93 % van de Nederlanders;
90 % van de Vlamingen.

Verwijzingen