krinkel

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • krin·kel
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord krinkel krinkels
verkleinwoord krinkeltje krinkeltjes

Zelfstandig naamwoord

krinkel m [2]

  1. kronkel, bocht
  2. virusziekte bij planten waarbij de bladeren omkrullen
Afgeleide begrippen

Werkwoord

vervoeging van
krinkelen

krinkel

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van krinkelen
    • Ik krinkel. 
  2. gebiedende wijs van krinkelen
    • Krinkel! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van krinkelen
    • Krinkel je? 

Gangbaarheid

50 % van de Nederlanders;
72 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen