krik

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • krik
enkelvoud meervoud
naamwoord krik krikken
verkleinwoord krikje krikjes

Zelfstandig naamwoord

krik v/m

  1. een voorwerp om zware dingen, zoals een auto, mee op te tillen
    • Ik had een lekke band met de auto, maar kon de krik niet vinden. 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
90 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Werkwoord

vervoeging van
krikken

krik

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van krikken
    • Ik krik. 
  2. gebiedende wijs van krikken
    • Krik! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van krikken
    • Krik je?