kortom

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • kort·om
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘bijwoord van modaliteit: om kort te gaan’ voor het eerst aangetroffen in 1611 [1]
  • samenstelling van  kort   en  om   [2]

Bijwoord

kortom

  1. samenvattend
    • Kortom, er is niet genoeg geld. 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Verwijzingen