kneukel

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • kneu·kel
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord kneukel kneukels
verkleinwoord kneukeltje kneukeltjes

Zelfstandig naamwoord

kneukel m [2]

  1. (anatomie) knokkel
Afgeleide begrippen

Werkwoord

vervoeging van
kneukelen

kneukel

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kneukelen
    • Ik kneukel. 
  2. gebiedende wijs van kneukelen
    • Kneukel! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kneukelen
    • Kneukel je? 

Gangbaarheid

57 % van de Nederlanders;
85 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

Meer informatie