kenen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ke·nen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
kenen
keende
gekeend
zwak -d volledig

Werkwoord

kenen

  1. ontkiemen
    • Hij liet de zaadjes eerst kenen voor hij ze in de grond plantte. 

Gangbaarheid

9 % van de Nederlanders;
20 % van de Vlamingen.