karma

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • kar·ma
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Sanskriet, in de betekenis van ‘het bepaald-zijn van iemands lot’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1893 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord karma karma's
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

karma o

  1. de leer van oorzaak en gevolg, waarbij je al je acties en reacties weer bij jezelf terugkomen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen