kaden

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ka·den
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
kaden
kaadde
gekaad
zwak -d volledig

Werkwoord

kaden

  1. overgankelijk een oever van een kade voorzien
    • Simpele polderjongens hebben de dijken opgeworpen, gedempt en gegraven, gekaad en gepolderd, [kortom] het harde, zware werk gedaan.[1] 

Zelfstandig naamwoord

kaden mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord kade
Synoniemen

Gangbaarheid

65 % van de Nederlanders;
62 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

Meer informatie