juchtleren

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • jucht·le·ren
stellend
onverbogen (alleen
attributief)
verbogen juchtleren

Bijvoeglijk naamwoord

juchtleren

  1. van juchtleer vervaardigd
    • Hij droeg een paar juchtleren laarzen. 

Gangbaarheid