Naar inhoud springen

iegelijk

Uit WikiWoordenboek
  • ie·ge·lijk
  • In de betekenis van ‘onbepaald voornaamwoord’ voor het eerst aangetroffen in 1240 [1]
  • afgeleid van ieder +ge met het achtervoegsel -lijk [2]

iegelijk [3]

  1. ieder, elk
     Want alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een iegelijk die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe.[4]
25 %van de Nederlanders;
9 %van de Vlamingen.[5]