husselen

Uit WikiWoordenboek

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • hus·se·len
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
husselen
husselde
gehusseld
zwak -d volledig

Werkwoord

husselen

  1. overgankelijk iets trachten te mengen door het op te gooien
    • Verder heb ik de mosselen op gestoofde mosselgroenten gelegd, en er ook verse koriander door gehusseld op het einde. 

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders;
54 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be