hoofdstedelijk

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • hoofd·ste·de·lijk
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen hoofdstedelijk hoofdstedelijker hoofdstedelijkst
verbogen hoofdstedelijke hoofdstedelijkere hoofdstedelijkste
partitief hoofdstedelijks hoofdstedelijkers -

Bijvoeglijk naamwoord

hoofdstedelijk

  1. (aardrijkskunde) van de hoofdstad
    • Het hoofdstedelijk gebied is in België een eigen gewest. 
Afgeleide begrippen

Gangbaarheid

96 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be