hees

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • hees
Woordherkomst en -opbouw
  • [bijvoeglijk naamwoord] (erfwoord) Germaans *haisaz, vanwaar ook Angelsaksisch: hās en Oudnoords hás (vergelijk Limburgs heisj)

[zelfstandig naamwoord]] hee met de uitgang -s [1]

stellend vergrotend overtreffend
onverbogen hees heser heest
verbogen hese hesere heeste
partitief hees hesers -

Bijvoeglijk naamwoord

hees

  1. (personen) geen helder stemgeluid kunnen produceren.
    • Je klinkt nogal hees. 
  2. (stem) niet helder, klankloos.
    • Wat heb je toch een hese stem! 

Werkwoord

vervoeging van
hijsen

hees

  1. enkelvoud verleden tijd van hijsen
    • Ik hees. 
    • Jij hees. 
    • Hij, zij, het hees. 

Zelfstandig naamwoord

hees mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord hee

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

Meer informatie