habiter

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Frans

Uitspraak
stamtijd
infinitief verleden
tijd
voltooid
deelwoord
habiter
/ɑbite/
habitais
/ɑbitɛ/
habité
/ɑbite/
eerste groep volledig

Werkwoord

habiter

  1. wonen, bewonen