haben

Uit WikiWoordenboek

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ha·ben
Woordherkomst en -opbouw

Zelfstandig naamwoord

haben m

  1. (Jiddisch-Hebreeuws) eerstgeboren zoon, in de uitdrukking pidjon haben

Gangbaarheid

Verwijzingen


Duits

stamtijd
infinitief verleden
tijd
voltooid
deelwoord
haben
/ˈhaːbən/
hatte
/ˈhatə/
(hat) gehabt
/gəˈhaːpt/
volledig
Uitspraak
Woordafbreking
  • ha·ben

Werkwoord

haben

  1. hulpwerkwoord hebben
  2. overgankelijk hebben