gemijterd

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·mij·terd
Woordherkomst en -opbouw
stellend
onverbogen gemijterd
verbogen gemijterde
partitief gemijterds

Bijvoeglijk naamwoord

gemijterd

  1. met een mijter op, een mijter dragend
    • Een gemijterde kardinaal droeg de mis voor. 

Gangbaarheid

68 % van de Nederlanders;
72 % van de Vlamingen.