gelastte af

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·last·te af
Woordherkomst en -opbouw

Werkwoord

vervoeging van
afgelasten

gelastte af

  1. enkelvoud verleden tijd van afgelasten
    • Ik gelastte af. 
    • Jij gelastte af. 
    • Hij, zij, het gelastte af. 


Gangbaarheid