gekraai

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·kraai
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord gekraai
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

gekraai o [1]

  1. aanhoudend een geluid maken dat lijkt op dat van een haan
    • Maandenlang heeft de gemeente gewerkt aan speciale verordening voor ’Manke Nelis’, maar de ruzie in een Bloemendaalse villawijk is nog niet opgelost. Een rechter moet zich nu over het gekraai buigen. Maar is dat wel het probleem? Een ’zakelijk conflict’ zou de sluimerende oorzaak zijn achter de burenvete.[2] 
    • De autoriteiten in de hoofdstad van Tasmanië, Hobart, zijn een actie begonnen om wilde hanen te vangen. De stad wordt al jaren geteisterd door de vogels. Ze geven veel overlast door hun gekraai en leveren gevaar op in het verkeer. Daarbij zijn de hanen een prooi voor honden en katten.[3] 
Hyponiemen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. de Telegraaf 10 nov. 2017
  3. de Telegraaf 12 mrt. 2016