geilen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • gei·len
Woordherkomst en -opbouw

Werkwoord

geilen [2]

stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
geilen
geilde
gegeild
zwak -d volledig
  1. (informeel) iets heel erg leuk vinden, ergens verrukt van raken
    • Na zijn stage mocht Akkabi in de winkel komen werken. Dat deed hij bijna drie jaar lang, vijf of zes dagen in de week. Hoewel hij in het gedeelte stond waar sportieve kleding verkocht werd, ging hij ‘die andere kant’, de klassieke, steeds meer waarderen. „Als er geen klanten in de winkel waren, kon ik soms uren geilen op een kostuum. Als er een jasje was dat iets strakker getailleerd was en mij paste, kon ik dat de hele dag aanhebben en in de spiegel kijken.”[3] 
    • Hij is een uitzondering, Jitse Akse, de man die kennelijk met een zak over zijn hoofd is gearresteerd. We geilen met zijn allen op Koerdische meisjes die hun toekomst verruilen voor een kalasjnikov. Omdat ze vechten tegen IS, waar niemand anders de wapens oppakt. Op een enkeling na dus, maar dat is wel illegaal. Daar herinnert het Openbaar Ministerie ons nu aan.[4]  
Vertalingen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. geilen op website: Etymologiebank.nl
  2. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  3. NRC Anne-Martijn van der Kaaden 17 februari 2017
  4. Volkskrant Beri Shalmashi 20 januari 2016