gedrocht

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Gedrocht op schaatsen. (Jeroen Bosch)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·drocht
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘monster’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1351 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord gedrocht gedrochten
verkleinwoord gedrochtje gedrochtjes

Zelfstandig naamwoord

gedrocht o

  1. wanstaltig wezen, monster, iets bijzonder lelijks
    • In het computerspel moest de strijd aangebonden worden tegen boze tovenaars, trollen en andere gedrochten. 

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.[2]

Meer informatie

Verwijzingen