gedachtig

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·dach·tig
Woordherkomst en -opbouw
stellend
onverbogen gedachtig
verbogen
partitief gedachtigs

Bijvoeglijk naamwoord

gedachtig [2]

  1. denkend aan iets of iemand met name aan zondige daden en overleden mensen, zich herinnerende
    • Is dit allemaal te mooi om waar te zijn? Laten we dan toch maar aan de sombere kant blijven, gedachtig het woord van columnist George Will: je kunt beter pessimist zijn - dan krijg je meestal gelijk en word je af en toe aangenaam verrast.[3] 
    • 3. Wees gedachtig, dat gij de dag des Heren heiligt.[4] 
Vertalingen

Gangbaarheid

78 % van de Nederlanders;
68 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. gedachtig op website: Etymologiebank.nl
  2. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  3. Volkskrant Paul Brill 31 december 2016,
  4. Volkskrant Janny Groen 24 december 2002 (citaat uit de Bijbel n.l. het derde gebod)