gaf

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • gaf

Werkwoord

vervoeging van
geven

gaf

  1. enkelvoud verleden tijd van geven
    • Ik gaf. 
    • Jij gaf. 
    • Hij, zij, het gaf. 
Vaste voorzetsels
  • gaf op

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
95 % van de Vlamingen.