Naar inhoud springen

gâter

Uit WikiWoordenboek
stamtijd
infinitief verleden
tijd
voltooid
deelwoord
gâter
gâtais
gâté
eerste groep volledig

gâter

  1. beschadigen, aantasten
    «La grêle a gâté les vignes.»
    De hagel heeft de wijnranken beschadigd.
  2. ruïneren, verknoeien
    «Une voiture m’a éclaboussé, et la boue a gâté mon manteau.»
    Ik werd bespat door een auto en de modder ruïneerde mijn jas.
  3. (figuurlijk) teveel verwennen (van o.m. kinderen)
    «À gâter les enfants, on leur rend les plus mauvais services.»
    We bewijzen de kinderen een slechte dienst door hen zo te verwennen.