frutsel

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • frut·sel
enkelvoud meervoud
naamwoord frutsel frutsels
verkleinwoord frutseltje frutseltjes

Zelfstandig naamwoord

frutsel o

  1. een overbodige toevoeging of versiering van weinig waarde
    • Met scoubidou kan men bijvoorbeeld sleutelhangers, vriendschapsbandjes en andere frutsels maken. 

Werkwoord

vervoeging van
frutselen

frutsel

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van frutselen
    • Ik frutsel. 
  2. gebiedende wijs van frutselen
    • Frutsel! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van frutselen
    • Frutsel je? 

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
79 % van de Vlamingen.