franchising

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • fran·chi·sing
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘het huren van rechten van een ander bedrijf’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1973 [1] [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord franchising -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

franchising v / m [3]

  1. een methode van zakendoen waarbij een ondernemer (de franchisenemer) een contract sluit met de eigenaar van een handelsnaam (de franchisegever) die de franchisenemer het recht geeft om tegen betaling een zaak met die handelsnaam als zelfstandige te exploiteren


Meer informatie

Gangbaarheid

Verwijzingen