Naar inhoud springen

flotte

Uit WikiWoordenboek
enkelvoud meervoud
zonder lidwoord met lidwoord zonder lidwoord met lidwoord
  flotte     la flotte     flottes     les flottes  

flotte v

  1. (scheepvaart) vloot [1]
  2. (luchtvaart) vloot [2]
  3. (spreektaal) water
    «Allez, venez, les gars, à la flotte
    Kom op jongens, het water in!
    «La flotte à la cantine, elle a un drôle de goût.»
    Het water in de cantine heeft een rare smaak [1]
  4. (spreektaal) regen, hemelwater
    «Paraît qu’ils ont annoncé de la flotte pour c’t’aprèm.»
    Schijnt dat ze plensbuien hebben voorspeld voor vanmiddag. [1]
vervoeging van
flotter

flotte

  1. eerste en derde persoon enkelvoud onvoltooid tegenwoordige tijd (indicatif présent) van flotter
  2. eerste en derde persoon enkelvoud tegenwoordige aanvoegende wijs (subjonctif présent) van flotter
  3. tweede persoon enkelvoud gebiedende wijs (impératif présent) van flotter
  • flot·te
Naar frequentie 1956

flotte, m / v / o

  1. bepaalde vorm enkelvoud van de stellende trap van flott

flotte, mv

  1. onbepaalde en bepaalde vorm meervoud van de stellende trap van flott


  • flot·te

flotte, m /v / o

  1. bepaalde vorm enkelvoud van de stellende trap van flott

flotte, mv

  1. onbepaalde en bepaalde vorm meervoud van de stellende trap van flott