flater

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • fla·ter
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘blunder’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1866 [1]

Werkwoord

vervoeging van
flateren

flater

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van flateren
    • Ik flater. 
  2. gebiedende wijs van flateren
    • Flater! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van flateren
    • Flater je? 

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen