ficelle
Uiterlijk
| enkelvoud | meervoud | ||
|---|---|---|---|
| zonder lidwoord | met lidwoord | zonder lidwoord | met lidwoord |
| ficelle | la ficelle | ficelles | les ficelles |
ficelle v
- touwtje, draad
- (spreektaal) string
- «Eh, mademoiselle, tu me prêtes ta ficelle, j'ai plus de fil dentaire!»
- Juffrouw, mag ik je string lenen, ik heb geen flosdraad meer! [1]
- «Eh, mademoiselle, tu me prêtes ta ficelle, j'ai plus de fil dentaire!»
| vervoeging van |
|---|
| ficeler |
ficelle
- eerste en derde persoon enkelvoud onvoltooid tegenwoordige tijd (indicatif présent) van ficeler
- eerste en derde persoon enkelvoud tegenwoordige aanvoegende wijs (subjonctif présent) van ficeler
- tweede persoon enkelvoud gebiedende wijs (impératif présent) van ficeler
- "ficelle" is geschreven in de traditionele spelling, de verbeterde spelling van 1990 is: ficèle.