Naar inhoud springen

ficelle

Uit WikiWoordenboek
enkelvoud meervoud
zonder lidwoord met lidwoord zonder lidwoord met lidwoord
  ficelle     la ficelle     ficelles     les ficelles  

ficelle v

  1. touwtje, draad
  2. (spreektaal) string
    «Eh, mademoiselle, tu me prêtes ta ficelle, j'ai plus de fil dentaire!»
    Juffrouw, mag ik je string lenen, ik heb geen flosdraad meer! [1]
vervoeging van
ficeler

ficelle

  1. eerste en derde persoon enkelvoud onvoltooid tegenwoordige tijd (indicatif présent) van ficeler
  2. eerste en derde persoon enkelvoud tegenwoordige aanvoegende wijs (subjonctif présent) van ficeler
  3. tweede persoon enkelvoud gebiedende wijs (impératif présent) van ficeler