fading
Uiterlijk
- fa·ding
- Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘sluiereffect’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1929 [1] [2] [3]
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | fading | fadings |
| verkleinwoord | - | - |
- verschijnsel dat de sterkte van ontvangst van elektromagnetische golven plotseling wegzakt en daarna weer terugkomt
- Het woord fading staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "fading" herkend door:
| 48 % | van de Nederlanders; |
| 50 % | van de Vlamingen.[4] |
- Zie Wikipedia voor meer informatie.
- ↑ "fading" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
- ↑ fading op website: Etymologiebank.nl
- ↑ Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
- ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be
Categorieën:
- Woorden in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands van lengte 6
- Woorden in het Nederlands met audioweergave
- Woorden met 2 lettergrepen in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands met IPA-weergave
- Zelfstandig naamwoord in het Nederlands
- Woordenlijst Nederlandse Taal
- Prevalentie Nederland 48 %
- Prevalentie Vlaanderen 50 %