echoën

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • echo·en
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
echoën
echode
geëchood
zwak -d volledig

Werkwoord

echoën

  1. absoluut het opnieuw hoorbaar zijn van een geluid door weerkaatsing van de geluidsgolven
    • Deze put echoot. 
Vertalingen

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders
94 % van de Vlamingen.