eau

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Frans

Uitspraak
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
zonder lidwoord met lidwoord zonder lidwoord met lidwoord
  eau     l'eau     eaux     les eaux  

Zelfstandig naamwoord

eau v

  1. water
Uitdrukkingen en gezegden
  • coup d'épée dans l'eau
    • vergeefse poging
  • eau à boire
    • drinkwater
  • eau bénite
    • wijwater
  • eau de Cologne
    • reukwater
  • eau de pluie
    • regenwater
  • eau dormante
    • stilstaand water
  • eau potable
    • drinkwater
  • être dans l'eau de quelqu'un
    • in iemands kielzog varen
  • être en eau
    • natbezweet zijn
  • faire de l'eau
    • water innemen
  • faire eau
    • lek zijn
  • l'eau m'en vient à la bouche
    • het water komt me in de mond (ik watertand)
  • marin d'eau douce
    • slechte zeeman
  • mettre à l'eau
    • te water laten
  • mettre de l'eau dans son vin
    • water bij wijn doen (zijn eisen matigen)
  • nager entre deux eaux
    • beide partijen willen sparen
  • prendre les eaux
    • een badkuur houden
  • se jeter à l'eau
    • zich verdrinken
  • suer sang et eau
    • water en bloed zweten (zeer angstig zijn)
Spreekwoorden
  • il n'est pire eau que l'eau qui dort
    • stille waters hebben diepe gronden (zwijgzame mensen hebben vaak diepere gedachten)
  • tant va la cruche à l'eau qu'à la fin elle se brise
    • de kruik gaat zolang te water tot ze barst (ooit gaat het fout)