duvelden

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • du·vel·den

Werkwoord

vervoeging van
duvelen

duvelden

  1. meervoud verleden tijd van duvelen
    • Wij duvelden. 
    • Jullie duvelden. 
    • Zij duvelden.