drinkbaar

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • drink·baar
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen drinkbaar drinkbaarder drinkbaarst
verbogen drinkbare drinkbaardere drinkbaarste
partitief drinkbaars drinkbaarders -

Bijvoeglijk naamwoord

drinkbaar

  1. (van iets vloeibaars) veilig in te nemen of te nuttigen
    En zou die zelf wel eens zoet water uit zeevis gewonnen hebben? Zijn gids zegt dat het kàn: alle vissen bevatten drinkbaar water, elke grote zeevis heeft langs zijn ruggengraat een reservoir zoet water, je hoeft het dier maar open te snijden om het goedje te oogsten. En mocht dat niet lukken dan is er altijd nog drinkbaar weefselvocht uit de vis of het visvlees te knijpen met een vruchtenpers. Geen zeeman hoeft zonder zoet water te zitten. [1]

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.
Verwijzingen
  1. Karel Knip NRC 12 september 2015