drenzen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • dren·zen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
drenzen
drensde
gedrensd
zwak -d volledig

Werkwoord

drenzen

  1. aanhoudend huilerig zeuren
    • Ik ben een geduldig man, mijn kind liep de hele dag te drenzen en ik ben niet uit mijn slof geschoten. 

Gangbaarheid

38 % van de Nederlanders;
35 % van de Vlamingen.[5]

Verwijzingen