doft

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • doft

Zelfstandig naamwoord

doft v/m

  1. zitbank in een roeiboot
  2. (bargoens) netjes

Werkwoord

vervoeging van
doffen

doft

  1. tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van doffen
    • Jij doft. 
  2. derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van doffen
    • Hij doft. 
  3. (verouderd) gebiedende wijs meervoud van doffen
    • Doft! 

Gangbaarheid

39 % van de Nederlanders;
18 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be