deontologisch

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • de·on·to·lo·gisch
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen deontologisch deontologischer
verbogen deontologische deontologischere
partitief deontologisch deontologischers -

Bijvoeglijk naamwoord

deontologisch

  1. met betrekking tot de deontologie

Gangbaarheid

44 % van de Nederlanders;
95 % van de Vlamingen.