Naar inhoud springen

dépouille

Uit WikiWoordenboek
enkelvoud meervoud
zonder lidwoord met lidwoord zonder lidwoord met lidwoord
  dépouille     la dépouille     dépouilles     les dépouilles  

dépouille v

  1. (spreektaal) bedreiging
    «Mes parents m’ont changé de bahut, y’avait toujours trop de dépouille à la sortie.»
    Mijn ouders hebben me naar een andere school gestuurd, er hing altijd te veel dreiging bij de poort. [1]
  2. (spreektaal) zwendel [1]
vervoeging van
dépouiller

dépouille

  1. eerste en derde persoon enkelvoud onvoltooid tegenwoordige tijd (indicatif présent) van dépouiller
  2. eerste en derde persoon enkelvoud tegenwoordige aanvoegende wijs (subjonctif présent) van dépouiller
  3. tweede persoon enkelvoud gebiedende wijs (impératif présent) van dépouiller