chier
Uiterlijk
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| infinitief | verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| chier |
chiais |
chié |
| eerste groep | volledig | |
chier
- (spreektaal) schijten, poepen, kakken
- «Son sale cabot a chié partout dans ma piaule.»
- Die vieze ouwe hond van hem heeft mijn kamer ondergescheten.
- «Ça va chier!»
- Daar komt gelazer van!
- «Va chier!»
- Donder op! (letterlijk: Ga toch schijten!) [2]
- «Son sale cabot a chié partout dans ma piaule.»